ECLI:NL:CRVB:2020:1349
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing hoger militair invaliditeitspensioen na traumatisch hersenletsel en binnenoor aandoening
Appellant, voormalig beroepsmilitair die gewond raakte bij een zelfmoordaanslag in Afghanistan, verzocht om verhoging van zijn militair invaliditeitspensioen. Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek werd zijn invaliditeit vastgesteld op 55% met een bijzondere invaliditeitsverhoging van 15%, waarbij onder meer dienstverband werd aanvaard voor schedel-hersenletsel en aandoeningen aan beide binnenoren.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de toegepaste WPC-codes passend waren en de beperkingen van appellant niet waren onderschat. De Raad voegde hieraan toe dat de WPC-schaal geen specifieke code voor traumatisch hersenletsel kent en dat de toegepaste codes, inclusief een partieel gebruik van code 0708, adequaat waren.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen onderschat waren en dat er sprake was van verergering van gehoorklachten, mede onderbouwd met een audiogram en gebruik van otoplastieken. De Raad oordeelde dat dit niet leidde tot een ander oordeel, omdat de klachten onveranderd waren en het gebruik van otoplastieken niet automatisch een toename van beperkingen betekent.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af, zonder aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.