Uitspraak
17.501 WIA
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was werkzaam als meewerkend directeur en kampte met psychische klachten en burn-out. Na ziekmelding in 2012 ontving zij een WGA-uitkering, die in 2015 werd herbeoordeeld op een arbeidsongeschiktheid van 40,76%, later verhoogd naar 55,61%.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens wijziging van de arbeidskundige motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij per 21 september 2015 recht had op een IVA-uitkering wegens structurele problematiek, terwijl het UWV dit betwistte en stelde dat volledige arbeidsongeschiktheid pas later was ontstaan.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 mei 2015 juist was. De verslechtering van de situatie van appellante vond pas na de datum in geding plaats, wat leidde tot toekenning van een IVA-uitkering vanaf 1 februari 2018. De voorbeeldfuncties waren medisch passend en de arbeidsbelasting overschreed de belastbaarheid niet.
Daarom was appellante op de datum in geding niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt en had zij geen recht op een IVA-uitkering. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Appellante was op 21 september 2015 niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt en had geen recht op een IVA-uitkering per die datum.