Verzoekster, gescheiden maar samenwonend met haar ex-partner Z, vroeg bijstand aan als alleenstaande ouder. Het college wees dit af omdat zij een gezamenlijke huishouding zouden voeren, waarbij het zwaartepunt van Z's persoonlijk leven op hetzelfde adres zou liggen.
De rechtbank stelde verzoekster in het gelijk en kende bijstand toe, maar het college ging in hoger beroep. Verzoekster vroeg om een voorlopige voorziening vanwege haar verslechterde financiële situatie door de coronacrisis, waaronder huurachterstand en zorgverzekeringsproblemen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er onvoldoende feitelijke grondslag was om te concluderen dat Z zijn hoofdverblijf op hetzelfde adres had als verzoekster. Het college had bovendien nog geen onderzoek gedaan naar haar inkomens- en vermogenssituatie sinds de uitspraak van de rechtbank.
Gezien de spoedeisendheid en de financiële nood werd besloten een voorschot van 50% van de bijstandsnorm toe te kennen tot de uitspraak in hoger beroep. Het college werd tevens veroordeeld in de proceskosten.