ECLI:NL:CRVB:2020:1167

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 juni 2020
Publicatiedatum
3 juni 2020
Zaaknummer
19/4834 PW-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking verzoek voorlopige voorziening bijzondere bijstand

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam en verzocht om een voorlopige voorziening. Kort daarna heeft verzoeker het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken omdat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam bij brief had bericht voornemens te zijn de gevraagde bijzondere bijstand te verstrekken. Hierdoor werd aan het verzoek tegemoetgekomen.

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep heeft op grond van de Algemene wet bestuursrecht overwogen dat bij intrekking van een verzoek om voorlopige voorziening wegens tegemoetkoming door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener kan worden veroordeeld in de proceskosten. Het college heeft geen verweerschrift ingediend en het onderzoek ter zitting is achterwege gelaten.

De voorzieningenrechter heeft het college veroordeeld in de proceskosten van verzoeker, begroot op € 525,- voor het indienen van het verzoekschrift. Verzoeker kan het betaalde griffierecht rechtstreeks bij het college verhalen. De uitspraak is gedaan op 2 juni 2020 door E.C.R. Schut.

Uitkomst: Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wordt veroordeeld in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 525,-.

Uitspraak

19/4834 PW-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het verzoek om voorlopige voorziening tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 september 2019, 19/4519 en 19/4520 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 2 juni 2020
PROCESVERLOOP
Namens verzoeker heeft mr. J.S. Vlieger, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Bij brief van 21 november 2019 heeft mr. Vlieger namens verzoeker verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij fax van 19 december 2019 heeft mr. Vlieger namens verzoeker het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
Het college heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:84, vijfde lid, vijfde lid, gelezen in samenhang met artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan in geval van intrekking van het verzoek tot treffen van een voorlopige voorziening omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb worden veroordeeld.
Het verzoek om voorlopige voorziening is ingetrokken omdat het college bij brief van 18 december 2019 heeft bericht voornemens te zijn de gevraagde bijzondere bijstand te verstrekken. Hierdoor aan het verzoek omtrent een voorlopige voorziening zal worden tegemoetgekomen.
Het voorgaande betekent dat aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van verzoeker. Deze kosten worden begroot op € 525,- voor het indienen van het verzoekschrift.
Voor vergoeding van het betaalde griffierecht kan verzoeker zich rechtstreeks tot het college wenden.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep veroordeelt het college in de kosten van verzoeker tot een bedrag van € 525,-.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van
P.A.M. Hulsdouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2020.
(getekend) E.C.R. Schut
(getekend) P.A.M. Hulsdouw