ECLI:NL:CRVB:2020:1136
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Voortzetting ziekengeld wegens onjuiste beëindiging per 4 februari 2016
Appellant, voormalig financieel/administratief medewerker, meldde zich ziek met spanningsklachten terwijl hij een WW-uitkering ontving. Het UWV verklaarde hem per 4 februari 2016 geschikt voor werk en beëindigde het ziekengeld. De rechtbank onderschreef dit besluit, ondanks medische stukken die PTSS en andere klachten aantoonden.
In hoger beroep stelde appellant dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat de PTSS al vóór 2017 bestond, wat zijn arbeidsongeschiktheid per 4 februari 2016 bevestigt. De Raad benoemde deskundigen die concludeerden dat appellant op die datum leed aan PTSS-gerelateerde klachten die zijn arbeidsongeschiktheid verklaren.
De Raad oordeelde dat het UWV-besluit niet deugdelijke motivering bevatte en dat de rechtbank ten onrechte het medisch onderzoek van het UWV onderschreef. Daarom werd het besluit van 4 februari 2016 vernietigd en het recht op ziekengeld voortgezet vanaf die datum. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit van 4 februari 2016 wordt herroepen en het recht op ziekengeld wordt voortgezet vanaf die datum.