Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
L.R. Scherpenzeel-Carlier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Volgens artikel 8:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet bij het indienen van een beroepschrift griffierecht worden betaald. De gemachtigde van appellant is meerdere malen schriftelijk gewezen op de verschuldigdheid en de betalingstermijn van het griffierecht.
Ondanks deze waarschuwingen is het griffierecht niet tijdig voldaan. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellant in verzuim is en verklaart het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins en de griffier L.R. Scherpenzeel-Carlier op 6 mei 2020. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken schriftelijk verzet worden aangetekend.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.