ECLI:NL:CRVB:2019:867
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet gemelde financiële transacties ten behoeve van derden
Appellant ontving sinds 2006 bijstand en verrichtte tussen 2006 en 2010 zestien geldtransacties naar Marokko en Turkije, variërend van €188 tot €11.000, totaal €34.734. Een onderzoek door de Financial Intelligence Unit en sociaal rechercheur leidde tot een besluit van het college om de bijstand over de betreffende maanden in te trekken en de kosten terug te vorderen.
Appellant erkende tijdens een gesprek enkele transacties, maar ontkende betrokkenheid bij andere. De Raad oordeelde dat het gebruik van zijn paspoort of rijbewijs bij die transacties een redelijke grond geeft om aan te nemen dat hij erbij betrokken was, en dat het aan appellant was om het tegendeel aannemelijk te maken, wat niet is gelukt.
De Raad stelde vast dat appellant in strijd met zijn inlichtingenverplichting geen melding had gemaakt van mogelijke inkomsten uit deze transacties, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De stelling dat hij geen vergoeding ontving faalde, mede omdat hij zelf verklaarde soms kleine bedragen te houden en geen administratie bijhield.
De Raad verwierp ook het beroep op dringende redenen om af te zien van terugvordering, omdat appellant dit onvoldoende onderbouwde. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van bijstand wegens niet gemelde financiële transacties wordt bevestigd.