ECLI:NL:CRVB:2019:795
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste uitvoering herziening en terugvordering AOW na vertrek naar Ghana
In deze zaak gaat het om de herziening en terugvordering van het ouderdomspensioen van appellant op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU). Appellant woont sinds mei 2011 in Ghana, een land waarvoor de Wet BEU gevolgen heeft. De voorzieningenrechter van de Raad had in 2015 vastgesteld dat de duurzame band van persoonlijke aard tussen appellant en Nederland eind september 2011 is geëindigd, waarna de herziening en terugvordering van het AOW-pensioen per die datum aan de orde was.
De Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft vervolgens besluiten genomen waarbij het AOW-pensioen werd herzien vanaf oktober 2011 en terugvordering plaatsvond over de maanden oktober en november 2011. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep opnieuw inhoudelijke bezwaren aan tegen de Wet BEU en de toepassing daarvan, waaronder schending van internationale verdragen en discriminatie.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat deze inhoudelijke gronden reeds in de eerdere uitspraak van 2015 zijn behandeld en verworpen, en dat het hoger beroep zich beperkt tot de vraag of de Svb de uitspraak van de Raad juist heeft uitgevoerd. De Raad bevestigt dat de Svb aan haar opdracht heeft voldaan door de herziening en terugvordering te beperken tot de juiste periode. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.