ECLI:NL:CRVB:2019:61
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- L.J.M. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging zorgvuldige WIA-herbeoordeling en geschiktheid voor eigen werk vakbondconsulent
Appellant viel in januari 2010 uit wegens nekklachten en hoofdpijn en kreeg in 2014 een WIA-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 63,38%. Na een herbeoordeling in 2015 stelde het UWV vast dat appellant geschikt was voor zijn eigen werk, met een arbeidsongeschiktheid van circa 28%, en beëindigde de uitkering per april 2016. Appellant maakte bezwaar en kreeg dit ongegrond verklaard door de rechtbank, die het medisch onderzoek van het UWV als zorgvuldig beoordeelde.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV onvoldoende rekening hield met medische beperkingen, onder meer omdat geen informatie was ingewonnen bij de bedrijfsarts en het MAOC-criterium niet werd toegepast. De Raad oordeelde dat het UWV wel degelijk op de hoogte was van het standpunt van de bedrijfsarts en dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. De Raad vond geen medische onderbouwing voor het aannemen van meer beperkingen dan vastgesteld, ook niet op grond van de door appellant overgelegde medische rapporten.
De Raad onderschreef het oordeel dat appellant medisch geschikt is voor zijn eigen werk als vakbondconsulent, een functie die vooral zittend is en administratieve taken omvat. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.