ECLI:NL:CRVB:2019:598
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.B. Kleiss
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid ondanks fibromyalgie en psychische klachten
Appellante is sinds 14 februari 2014 uitgevallen voor haar werkzaamheden als schoonmaakster vanwege fysieke klachten. Na onderzoek door een verzekeringsarts van het UWV is vastgesteld dat zij lichamelijke en psychische klachten heeft door fibromyalgie. Deze klachten zijn als reëel erkend en vertaald in beperkingen in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige concludeerde dat appellante geen verlies aan verdienvermogen heeft omdat zij de geselecteerde voorbeeldfuncties kan vervullen.
Het UWV heeft op 13 januari 2016 besloten dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. Dit besluit is na bezwaar en beroep bevestigd, waarbij een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige de beperkingen en verdiencapaciteit opnieuw hebben beoordeeld en het besluit van het UWV hebben ondersteund.
De rechtbank Limburg heeft het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard, waarbij zij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek als zorgvuldig en deugdelijk heeft beoordeeld. Appellante stelde in hoger beroep dat haar beperkingen ernstiger zijn dan aangenomen en dat zij door haar psychische klachten niet in staat zou zijn de functies te vervullen. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante geen nieuwe medische informatie heeft ingebracht die de juistheid van de FML betwist en dat er geen aanwijzingen zijn dat zij geheel geen functies kan vervullen.
Ook de vrees voor extreem ziekteverzuim is onvoldoende onderbouwd. De Raad bevestigt daarom de aangevallen uitspraak en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.