ECLI:NL:CRVB:2019:597
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.B. Kleiss
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toename arbeidsongeschiktheid en recht op WIA-uitkering
Appellant, die sinds 2010 arbeidsongeschikt is wegens fysieke en psychische klachten, vordert een WIA-uitkering wegens vermeende toename van beperkingen sinds 2012. Het UWV heeft dit geweigerd, omdat de beperkingen niet zijn toegenomen zoals vereist in artikel 55 van Pro de Wet WIA.
De rechtbank heeft het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en geoordeeld dat de medische beoordeling van het UWV juist is, mede op basis van rapporten van verzekeringsartsen die geen toename van beperkingen vaststelden. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn psychische klachten zijn toegenomen en dat hij onvoldoende gelegenheid heeft gehad om de medische bevindingen te betwisten, mede vanwege financiële beperkingen.
De Raad oordeelt dat de psychische klachten niet zijn toegenomen ten opzichte van 2012 en dat appellant geen nieuwe medische informatie heeft aangeleverd. Daarnaast is onvoldoende gebleken dat appellant belemmerd is geweest in het onderbouwen van zijn standpunt, zodat geen schending van het equality of arms-beginsel is vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt derhalve het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank, en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV wordt bevestigd dat geen recht bestaat op een WIA-uitkering wegens het ontbreken van een toename van beperkingen.