ECLI:NL:CRVB:2019:540
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Beëindiging consignatiediensten en afbouw consignatietoelage bij politie
Appellant, werkzaam bij de politie in een consignatiefunctie, kreeg sinds 2007 consignatiediensten opgelegd met een variabele consignatietoelage. Bij besluit van 25 oktober 2016 maakte de korpschef bekend dat de consignatiediensten werden beëindigd en de toelage nog tot 1 januari 2017 op basis van een fictieve planning werd doorbetaald.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde in hoger beroep dat de beëindiging een aanzienlijke inkomensachteruitgang veroorzaakte en dat een ruimere afbouwregeling had moeten worden getroffen. De korpschef en rechtbank verklaarden het bezwaar en beroep ongegrond.
De Raad overwoog dat wet- en regelgeving geen afbouwregeling voorschrijven, maar dat zorgvuldigheid soms een regeling kan vereisen. In dit geval was de toelage variabel en geen vast onderdeel van het inkomen. Bovendien was appellant tijdig geïnformeerd over de beëindiging en had hij rekening kunnen houden met inkomensverlies.
Daarom was het niet onzorgvuldig of in strijd met rechtszekerheid dat de toelage slechts tot 1 januari 2017 werd doorbetaald. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de afbouw van de consignatietoelage tot 1 januari 2017 rechtmatig is en wijst het hoger beroep af.