ECLI:NL:CRVB:2019:513
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.B. Kleiss
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WIA-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig productiemedewerker, meldde zich in 2007 ziek met psychische klachten en kreeg in 2010 een WGA-uitkering toegekend wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2015 concludeerde een verzekeringsarts dat appellante duurzaam benutbare mogelijkheden heeft ondanks depressie en PTSS, ondersteund door een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
Het UWV beëindigde daarom in 2016 de WGA-uitkering, omdat zij naar oordeel van de arbeidsdeskundige met passend werk meer dan 65% van haar loon kan verdienen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarna appellante in hoger beroep stelde dat zij door ernstige psychische klachten niet kan werken en dat de functies niet passend zijn.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd, inclusief dossierstudie, spreekuur en heroverweging met betrokkenheid van de behandelend sector. De Raad concludeert dat appellante niet langer voldoet aan de criteria voor volledige arbeidsongeschiktheid en dat de functies medisch passend zijn.
De brief van de behandelend psycholoog bevat geen nieuwe relevante gegevens die het oordeel van het UWV ondermijnen. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht meer heeft op WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.