ECLI:NL:CRVB:2019:456
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van WIA-uitkering na zorgvuldige medische onderzoeken en arbeidsdeskundige rapporten
Appellante, laatstelijk werkzaam als productiemedewerker, vroeg een WIA-uitkering aan wegens arbeidsongeschiktheid. Het UWV stelde na medisch en arbeidsdeskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom bepaalde beperkingen niet in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) waren opgenomen en gaf het UWV gelegenheid dit te herstellen.
Na nadere rapportages van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelde de rechtbank vast dat het UWV voldoende had gemotiveerd waarom appellante belastbaar was in de betreffende functies en dat de medische gegevens geen twijfel opriepen over de juistheid van de beoordeling. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar moeheidsklachten haar belastbaarheid beperkten, maar kon dit niet met nieuwe medische stukken onderbouwen.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft de eerdere oordelen en concludeert dat het UWV zorgvuldig heeft gehandeld en dat de belastbaarheid van appellante niet wordt overschreden. Het hoger beroep wordt afgewezen, de eerdere uitspraak bevestigd en het verzoek om vergoeding van wettelijke rente en proceskosten wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd; de WIA-uitkering is terecht geweigerd.