ECLI:NL:CRVB:2019:4289
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ZW-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was werkzaam als algemeen medewerkster en meldde zich op 26 januari 2012 ziek. Het UWV stelde vast dat zij vanaf 23 januari 2014 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt voor diverse functies. Na meerdere ziekmeldingen, waaronder psychische klachten, beëindigde het UWV per 8 maart 2017 haar Ziektewetuitkering omdat zij geschikt werd geacht voor arbeid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze beslissing ongegrond, waarbij het medisch onderzoek door de verzekeringsarts als zorgvuldig werd beoordeeld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar psychische klachten onvoldoende waren meegewogen en dat zij ernstige depressieve klachten had, met verwijzing naar psychiatrische zorg.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische informatie geen aanleiding gaf om de eerdere conclusies te herzien. De verzekeringsarts had rekening gehouden met de bekende diagnoses en beperkingen, en de latere verwijzing naar psychiatrie vond pas na de datum in geding plaats. Er was geen reden een onafhankelijke deskundige te benoemen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de beëindiging van de ZW-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering per 8 maart 2017 wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.