Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:421

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 januari 2019
Publicatiedatum
12 februari 2019
Zaaknummer
17/4400 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.7 Uitvoeringsregels beleid bijzondere bijstand Participatiewet 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit bijzondere bijstand woninginrichting in de vorm van lening

Appellante heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van een eenpersoonsbed en matras. Het college van burgemeester en wethouders van Soest kende bijzondere bijstand toe tot €220,-, waarvan €110,- om niet en €110,- als lening, conform het beleid in artikel 4.7 van de Uitvoeringsregels bijzondere bijstand Participatiewet 2015.

De rechtbank Midden-Nederland verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellante voerde aan dat haar individuele omstandigheden, waaronder een gedwongen woningontruiming in 2012 en daaropvolgende verhuizingen, een afwijking van het beleid rechtvaardigen zodat de bijstand volledig om niet zou moeten worden verleend.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat deze omstandigheden onvoldoende aanleiding geven om van het beleid af te wijken. Appellante heeft immers meerdere gemeubileerde woonruimtes betrokken na de ontruiming, waardoor het college geen reden had om het beleid te wijzigen.

Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot gedeeltelijke lening bijzondere bijstand bevestigd.

Uitspraak

17.4400 PW-PV

Datum uitspraak: 29 januari 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 mei 2017, 16/3004 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Soest (college)
Zitting heeft: W.H. Bel
Griffier: E. Stumpel
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2019. Appellante is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
M.H.M. van den Brink-Hilhorst.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Appellante heeft op 6 januari 2016 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van een eenpersoonsbed en een matras. Bij besluit van 7 januari 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 mei 2016 (bestreden besluit), heeft het college - uitgaande van de richtprijzen van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (NIBUD) - bijzondere bijstand toegekend tot een bedrag van € 220,-. Van dit bedrag heeft het college op grond van het beleid, zoals dat is neergelegd in artikel 4.7 van de Uitvoeringsregels beleid bijzondere bijstand Participatiewet 2015, € 110,- om niet en € 110,- als lening toegekend.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft aangevoerd dat haar individuele omstandigheden een afwijking van het beleid rechtvaardigen, zodat de bijzondere bijstand volledig om niet verleend had moeten worden. Deze omstandigheden zijn erin gelegen dat zij noodgedwongen moest verhuizen, waardoor zij niet al haar spullen heeft kunnen meenemen.
4. Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellante heeft weliswaar in 2012 na een woningontruiming haar woning in Rotterdam moeten verlaten, maar zij heeft vervolgens meerdere gemeubileerde woonruimtes betrokken, voordat zij in april 2015 vanuit Zeist is verhuisd naar de gemeente Soest. In de gedwongen woningontruiming had het college dan ook geen aanleiding hoeven zien om in het geval van appellante van zijn beleid af te wijken.
5. Het hoger beroep slaagt dus niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) E. Stumpel (getekend) W.H. Bel
ew