ECLI:NL:CRVB:2019:417
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op ziekengeld wegens voldoende medische en arbeidskundige grondslag
Appellant, die zich ziek meldde met psychische en lichamelijke klachten, ontving aanvankelijk ziekengeld. Na een eerstejaars Ziektewet-beoordeling door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelde het UWV vast dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde het ziekengeld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) voldoende rekening hielden met zijn klachten. Appellant kon onvoldoende onderbouwen dat zijn gezondheidstoestand op de datum in geding slechter was dan vastgesteld.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt en overhandigde medische informatie van een longarts, waaruit progressieve longkanker bleek. De Raad oordeelde dat deze informatie geen invloed had op de beoordeling van de gezondheidstoestand op de datum in geding, aangezien de beperkingen toen reeds adequaat waren vastgesteld.
De Raad concludeerde dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren en dat appellant meer dan 65% van zijn loon kon verdienen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om het ziekengeld te beëindigen wordt bevestigd.