ECLI:NL:CRVB:2019:412
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op IVA-uitkering wegens onvoldoende duurzaam arbeidsongeschiktheid
Appellant, die sinds 2003 arbeidsongeschikt is vanwege knieklachten, vordert een IVA-uitkering omdat hij meent volledig en duurzaam arbeidsongeschikt te zijn. Het UWV heeft bij verschillende besluiten vastgesteld dat appellant weliswaar volledig arbeidsongeschikt is, maar dat deze arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is vanwege nog beschikbare behandelmogelijkheden.
De rechtbank Limburg heeft het beroep van appellant tegen het besluit van het UWV om de IVA-uitkering te weigeren ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig was en dat er nog behandelopties zijn die verbetering kunnen brengen. Het door appellant ingediende rapport dat dit tegenspreekt, werd onvoldoende onderbouwd geacht.
In hoger beroep herhaalt appellant zijn standpunt, maar de Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank. De Raad stelt vast dat er geen objectieve medische redenen zijn die behandeling onmogelijk maken en dat het ontbreken van pogingen tot behandeling onvoldoende is om de beperkingen als duurzaam te kwalificeren.
De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en wijst het verzoek tot schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV om geen IVA-uitkering toe te kennen wordt bevestigd.