ECLI:NL:CRVB:2019:4027
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als medewerker eindcontrole, meldde zich ziek met fysieke en psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat appellant per 29 augustus 2016 weer voltijds kon werken en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en vond geen reden voor aanvullend onderzoek of benoeming van een onafhankelijke deskundige.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten en verwees naar aanvullend medisch onderzoek, stellende dat onvoldoende rekening was gehouden met het totaalbeeld van zijn aandoeningen. De Raad volgde echter het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep die overtuigend had toegelicht dat er geen medische grond is voor een urenbeperking en dat de arbeidsongeschiktheid onder de 35% blijft.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht het bestreden besluit handhaafde en wees het verzoek tot vergoeding van wettelijke rente af. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt de eerdere beslissing dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering.
Uitkomst: Geen recht op WIA-uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid onder de 35% blijft.