ECLI:NL:CRVB:2019:3977
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering toeslag op het AOW-pensioen wegens pensioeninkomen echtgenote
Appellant ontving een AOW-pensioen inclusief een partnertoeslag die meerdere keren werd aangepast vanwege het inkomen van zijn echtgenote. De echtgenote gaf aan vanaf augustus 2015 een uitkering te ontvangen, maar de Sociale Verzekeringsbank (Svb) ontdekte dat zij vanaf februari 2015 al pensioeninkomsten ontving. Hierdoor werd de toeslag over de periode februari tot en met juli 2015 herzien en werd een bedrag van €4.743,44 teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de terugvordering terecht was toegerekend aan de betreffende maanden. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de toeslag niet met terugwerkende kracht mocht worden herzien en deed een beroep op het vertrouwensbeginsel vanwege vermeende toezeggingen van de Svb.
De Raad oordeelde dat de Svb de pensioeninkomsten terecht als overig inkomen had aangemerkt en dat de toeslag over de juiste periode moest worden gekort. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat appellant geen ondubbelzinnige toezeggingen kon aantonen. Ook stond het beleid van de Svb herziening met terugwerkende kracht niet in de weg. De terugvordering was daarom terecht en het hoger beroep werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de herziening en terugvordering van de toeslag op het AOW-pensioen worden bevestigd.