ECLI:NL:CRVB:2019:3791
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Appellant, erkend als vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), verzocht om herziening van zijn periodieke uitkering per 1 mei 2018. De Sociale verzekeringsbank stelde de uitkering op een hoger bedrag vast, maar hield geen rekening met het inkomensnadeel door het niet indexeren van particuliere pensioenen.
Appellant betoogde dat hij op basis van de Wuv een uitkering volgens de huidige maatstaven zou moeten ontvangen, omdat zijn pensioeninkomsten achterbleven. De Raad oordeelde echter dat de Wuv een aanvullende en inkomensafhankelijke uitkering biedt, berekend op basis van het inkomen ten tijde van de aanvraag, en dat geen ruimte bestaat om af te wijken van deze wettelijke grondslag.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit rechtmatig is en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 28 november 2019.
Uitkomst: Het beroep tegen de herziening van de periodieke uitkering wordt ongegrond verklaard.