Uitspraak
17.8259 PW
OVERWEGINGEN
In beide brieven is appellant erop gewezen dat hij afschriften van al zijn bank- en spaarrekeningen vanaf 30 juli 2016 diende mee te nemen naar het gesprek omdat die gegevens nodig waren om het recht op uitkering te kunnen beoordelen. Daarnaast is vermeld dat hij de gelegenheid krijgt om voor de aanvraag voor reiskosten de ontbrekende gegevens mee te nemen naar het gesprek. Het bestuur heeft in de brieven dus een duidelijk onderscheid gemaakt tussen het opvragen van de bankafschriften in het kader van de algemene bijstand op grond van de PW en het aanleveren van andere gegevens in het kader van zijn aanvraag om bijzondere bijstand voor reiskosten. Als het appellant niet duidelijk was of die brieven betrekking hadden op de gevraagde bijzondere bijstand dan wel op de lopende algemene bijstand, had hij hierover navraag moeten doen bij zijn contactpersoon. De beroepsgrond dat het appellant niet duidelijk was dat het niet langer ging om zijn aanvraag om bijzondere bijstand, maar om een onderzoek naar zijn periodieke uitkering, en dat hem daarom niet kan worden verweten dat hij niet op de gesprekken is verschenen, slaagt dan ook niet.