ECLI:NL:CRVB:2019:377
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van UWV-besluit over beëindiging ziekengeld na eerstejaars Ziektewet-beoordeling
Appellant was werkzaam als machinebediende en meldde zich ziek met spanningsklachten. Na het einde van zijn WW-uitkering werd hij door het UWV beoordeeld voor ziekengeld op grond van de Ziektewet. Een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelden vast dat appellant belastbaar was met beperkingen volgens een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en dat hij nog 90,77% van zijn maatmaninkomen kon verdienen in geselecteerde functies.
Het UWV besloot daarom het ziekengeld te beëindigen, wat appellant betwistte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de belastbaarheid juist was vastgesteld. In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, waaronder dat de beperkingen werden onderschat en dat de functies niet passend zouden zijn, en vroeg om een deskundige.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. Een recent neurologisch verslag gaf geen aanleiding tot aanpassing van de FML. De Raad concludeerde dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en voldoende gemotiveerd was, dat de functies passend zijn en dat er geen reden is een deskundige te benoemen. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het UWV-besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.