ECLI:NL:CRVB:2019:3569
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WIA-uitkering op basis van juiste mate van arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatst werkzaam als assembler, ontvangt sinds juni 2013 een WGA-loonaanvullingsuitkering. Het UWV heeft deze per 1 november 2015 omgezet in een WGA-vervolguitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, waarop aanvullend medisch en arbeidskundig onderzoek plaatsvond. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het onderzoek zorgvuldig en volledig was uitgevoerd.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn medische beperkingen, waaronder nek- en rugklachten en beperkingen in tillen, duwen en trekken, onderschat waren. Hij overhandigde medische stukken van specialisten en een besluit tot toekenning van een gehandicaptenparkeerkaart. Het UWV handhaafde haar standpunt met een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.
De Raad volgde de rechtbank en concludeerde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de medische beoordeling juist was. De klachten van appellant waren onvoldoende objectief onderbouwd om de mate van arbeidsongeschiktheid te herzien. De Raad zag geen aanleiding voor het inschakelen van een deskundige en bevestigde de eerdere uitspraak. Het hoger beroep werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de mate van arbeidsongeschiktheid correct is vastgesteld en wijst het hoger beroep af.