ECLI:NL:CRVB:2019:3558
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek bevestigd
Appellante was sinds 2010 ziek gemeld en ontving aanvankelijk een WGA-uitkering op basis van 100% arbeidsongeschiktheid. Na een herkeuring in 2016 beëindigde het UWV haar WIA-uitkering omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg. Appellante maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, en stelde in hoger beroep dat haar beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, ook al was het oorspronkelijke rapport niet ondertekend door een verzekeringsarts; dit werd hersteld in de bezwaarfase. De Raad volgde de rechtbank in de conclusie dat de beperkingen van appellante niet waren onderschat en dat de geselecteerde functies medisch passend waren.
Appellante kon haar stelling dat zij verdergaand beperkt was niet onderbouwen met nieuwe medische gegevens. De Raad wees ook op het verschil in medische situatie tussen 2015 en 2016, zoals toegelicht door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Omdat geen volledige arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld, werd niet ingegaan op de aanspraak op een IVA-uitkering.
Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen van appellante niet zijn onderschat.