Uitspraak
19.2074 PW
4 april 2019, 18/5707 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontvangt sinds 2013 bijstand van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. In het kader van een heronderzoek heeft het college geconstateerd dat appellant in de maanden februari, mei, augustus, september en november 2017 gokactiviteiten heeft verricht. Dit bleek uit bankafschriften waarop meerdere pinbetalingen stonden bij gokinstellingen.
Het college heeft op basis hiervan de bijstand over de genoemde maanden ingetrokken en de kosten van bijstand teruggevorderd. Appellant heeft bezwaar gemaakt, maar dit is ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen dit besluit eveneens afgewezen.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij niet gegokt heeft, maar alleen in de gokinstellingen kwam vanwege zijn sociale kring en dat betalingen betrekking hadden op eten of het uitlenen van geld aan vrienden. De Raad oordeelt dat deze stellingen onvoldoende feitelijk onderbouwd zijn en dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellant daadwerkelijk gokactiviteiten heeft verricht.
Daarom bevestigt de Centrale Raad van Beroep het bestreden besluit en wijst het hoger beroep af. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens het verrichten van gokactiviteiten zonder melding.