Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:3369

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 oktober 2019
Publicatiedatum
29 oktober 2019
Zaaknummer
17/4606 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete wegens niet gemelde werkzaamheden en inkomsten bij bijstandsverlening

Appellant ontving bijstand vanaf augustus 2013, waarbij vanaf juli 2015 de kostendelersnorm werd toegepast. Na een melding van de bewindvoerder over inkomsten uit werkzaamheden vanaf januari 2015, stelde het dagelijks bestuur een onderzoek in dat leidde tot het intrekken van de bijstand en het opleggen van een boete.

Appellant maakte geen melding van de werkzaamheden en inkomsten aan het dagelijks bestuur, noch aan zijn bewindvoerder, die de inkomsten bij toeval ontdekte. Het dagelijks bestuur stelde de boete vast op €1.120,- uitgaande van normale verwijtbaarheid.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. Het beroep op verminderde verwijtbaarheid faalt omdat appellant niet aannemelijk maakte dat hij zijn bewindvoerder tijdig en volledig had geïnformeerd. De Raad ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De boete van €1.120,- wegens niet gemelde werkzaamheden en inkomsten wordt bevestigd zonder vermindering wegens verwijtbaarheid.

Uitspraak

17.4606 PW

Datum uitspraak: 29 oktober 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
21 juni 2017, 16/5351 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Veluwerand (dagelijks bestuur)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving met ingang van 2 augustus 2013 bijstand van het dagelijks bestuur, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW). Daarbij heeft het dagelijks bestuur vanaf
1 juli 2015 toepassing gegeven aan de kostendelersnorm.
1.2.
Naar aanleiding van een telefonische mededeling op 1 december 2015 van de bewindvoerder van appellant dat appellant sinds 1 januari 2015 inkomsten uit werkzaamheden ontvangt, heeft het dagelijks bestuur een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Daarbij is dossieronderzoek verricht, zijn bankafschriften opgevraagd en heeft een gesprek met appellant plaatsgevonden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 11 januari 2016.
1.3.
De onderzoeksbevindingen zijn voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 17 maart 2016 (besluit 1) de bijstand van appellant vanaf 1 januari 2015 in te trekken.
1.4.
Bij besluit van 19 april 2016 (besluit 2) heeft het dagelijks bestuur de over de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 oktober 2015 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van €10.688,72 van appellant teruggevorderd.
1.5.
Bij besluit van 12 mei 2016 (besluit 3) heeft het dagelijks bestuur appellant een boete opgelegd van € 1.120,-.
1.6.
Bij besluit van 28 juli 2016 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur de bezwaren tegen de besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting doordat hij geen melding heeft gemaakt van het verrichten van werkzaamheden vanaf 1 januari 2015. Doordat de inkomsten uit deze werkzaamheden hoger waren dan de voor appellant geldende norm had hij geen recht op bijstand. Uitgaande van normale verwijtbaarheid en rekening houdend met de draagkracht van appellant heeft het dagelijks bestuur de boete vastgesteld op een bedrag van € 1.120,-.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft in hoger beroep als enige grond aangevoerd dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid bij het opleggen van de boete.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Nu appellant geen melding heeft gemaakt van het verrichten van werkzaamheden en het ontvangen van inkomsten uit deze werkzaamheden heeft het dagelijks bestuur aangetoond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.
4.2.
De beroepsgrond dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid slaagt niet. Met zijn standpunt dat hij zijn bewindvoerder zelf op de hoogte heeft gesteld van zijn inkomsten en het niet zijn bedoeling was deze te verzwijgen, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Het gaat hier om gegevens waarvan het appellant redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat deze van invloed konden zijn op het recht op bijstand. Bovendien heeft hij ook bij zijn bewindvoerder nimmer melding gemaakt van het ontvangen van inkomsten maar is zijn bewindvoerder daar bij toeval achter gekomen. Daarnaast zijn deze inkomsten overgemaakt naar een bankrekening waarvan appellant evenmin, noch bij het dagelijks bestuur noch bij zijn bewindvoerder, melding heeft gemaakt. Dat betekent dat het dagelijks bestuur voor de hoogte van de boete terecht is uitgegaan van normale verwijtbaarheid.
4.3.
Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel, in tegenwoordigheid van Y. Itkal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2019.
(getekend) W.H. Bel
(getekend) Y. Itkal