ECLI:NL:CRVB:2019:309
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij beëindiging bijstand wegens niet-rechtmatig verblijf
Verzoekster, met de Braziliaanse nationaliteit, ontving bijstand op grond van de Participatiewet. Haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ liep van 1 augustus 2013 tot 1 augustus 2015. Na controle bleek dat verzoekster sinds 9 mei 2017 geen geldige verblijfstitel meer had, geregistreerd als ‘verblijfscode 98’. Het college beëindigde daarom de bijstand per 1 juli 2017 omdat verzoekster niet langer tot de kring van rechthebbenden behoorde.
Verzoekster stelde dat zij rechtmatig verblijf hield vanwege lopende procedures tegen afwijzing van haar verlengingsaanvragen. Echter, de aanvraag van 22 juli 2015 werd afgewezen en onherroepelijk bevestigd door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Een tweede aanvraag van 9 mei 2017 werd eveneens afgewezen en als herhaalde aanvraag aangemerkt. Dit maakte dat verzoekster vanaf 1 juli 2017 geen recht op bijstand meer had.
Het hoger beroep van verzoekster slaagde niet en er was geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening. De Centrale Raad van Beroep bevestigde de eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en de bijstand wordt terecht beëindigd wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf.