ECLI:NL:CRVB:2019:3044

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 september 2019
Publicatiedatum
23 september 2019
Zaaknummer
19/495 PW-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 lid 7 AwbArt. 8:108 lid 1 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid hoger beroep in sociale zekerheidszaak ongegrond verklaard

Appellant had tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland hoger beroep ingesteld, maar dit hoger beroep werd door de Raad niet-ontvankelijk verklaard vanwege het niet tijdig indienen van het hogerberoepschrift. Appellant stelde verzet in tegen deze beslissing.

Tijdens de zitting op 9 augustus 2019 verscheen appellant, terwijl het dagelijks bestuur van Werksaam Westfriesland zich niet liet vertegenwoordigen. Appellant voerde aan dat zijn medische situatie hem belemmerde om ter zitting te verschijnen en dat het reizen een te zware lichamelijke belasting voor hem was.

De Raad oordeelde dat hoewel de medische situatie een belemmering vormde, dit niet betekent dat appellant niet in verzuim was. Het hogerberoepschrift was ruim na de uiterste termijn van 15 november 2017 ingediend, namelijk op 28 januari 2019. Bovendien had appellant zich door een derde kunnen laten vertegenwoordigen. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Datum uitspraak: 20 september 2019
19/495 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:55, zevende lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 4 oktober 2017, 16/3838 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van Werksaam Westfriesland (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht van 16 april 2019 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Appellant heeft verzet gedaan.
Het verzet is behandeld ter zitting van 9 augustus 2019. Appellant is verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 16 april 2019 berust op de overwegingen dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
De laatste dag waarop tijdig een hogerberoepschrift kon worden ingediend, was
15 november 2017. Het hogerberoepschrift is op 28 januari 2019 door de Raad ontvangen.
In verzet stelt appellant dat hij weliswaar in staat was om een hogerberoepschrift op te stellen, maar zijn medische situatie hem zou belemmeren ter zitting te verschijnen. Het reizen naar de rechtbank zou een te zware lichamelijke belasting voor hem zijn geweest.
De Raad begrijpt dat de medische situatie waarin appellant verkeert een belemmering vormt voor zijn functioneren. Dit betekent echter niet dat appellant niet in verzuim is geweest. Uit de geschetste omstandigheden blijkt niet dat appellant de gehele beroepstermijn niet in staat is geweest om hoger beroep in te (laten) stellen. Appellant had zich voor het verschijnen ter zitting door een derde kunnen laten vertegenwoordigen.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van L.R. Daman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 september 2019.
(getekend) C.H. Bangma
(getekend) L.R. Daman

VC