Uitspraak
18.4561 WUV, 18/4563 WUBO
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft sinds 1990 meerdere verzoeken ingediend voor toekenning van uitkeringen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Eerdere aanvragen en beroepen zijn afgewezen omdat geen bewijs was dat de psychische klachten van appellant direct verband hielden met de oorlogsgebeurtenissen of vervolging.
In 2017 diende appellant opnieuw een verzoek in, ondersteund door rapporten van psychiaters, maar de Pensioen- en Uitkeringsraad handhaafde de afwijzing. De Centrale Raad van Beroep toetste het bestreden besluit en concludeerde dat de medische adviezen van de geneeskundige adviseurs van verweerder geen aanwijzingen bevatten voor een causaal verband tussen de klachten en de oorlogservaringen.
De Raad benadrukte dat de psychische klachten van appellant vooral samenhangen met traumatische gezinsomstandigheden en sociale factoren, met slechts een indirecte invloed van de oorlog. Omdat andere oorzaken voor de klachten zijn aan te wijzen, kon geen beroep worden gedaan op omgekeerde bewijslast. Het verzoek tot nader medisch onderzoek werd niet gehonoreerd vanwege het ontbreken van twijfel over de medische bevindingen.
De Centrale Raad van Beroep verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde daarmee het bestreden besluit. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de toekenning op grond van de Wuv en Wubo wordt gehandhaafd.