ECLI:NL:CRVB:2019:277
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening AOW-pensioen met één jaar terugwerkende kracht wegens onjuist toekenningsbesluit
Appellant diende in april 2011 een aanvraag in voor een AOW-pensioen en gaf aan ongehuwd samen te wonen met zijn partner. De Sociale verzekeringsbank (Svb) kende hem een AOW-pensioen toe naar de norm voor een gehuwde. Later bleek dat naast de partner ook een meerderjarige zoon bij appellant woonde, wat leidde tot een herziening van het pensioen met één jaar terugwerkende kracht naar de norm voor een alleenstaande.
Appellant maakte bezwaar tegen de beperkte terugwerkende kracht en stelde dat het aanvraagformulier onduidelijk was en dat de Svb onvoldoende controleerde. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de Raad bevestigde dit oordeel. De Raad oordeelde dat het aanvraagformulier wel degelijk de mogelijkheid bood om inwonende kinderen te vermelden en dat het op appellant rustte om bij onduidelijkheid informatie in te winnen.
De Svb handelde volgens haar beleidsregels waarbij terugwerkende kracht van maximaal één jaar geldt als de onjuistheid niet het gevolg is van een fout van de Svb. De Raad volgde dit beleid en concludeerde dat appellant niet tijdig alle relevante informatie had verstrekt, waardoor geen sprake was van een fout van de Svb. Ook was er geen bijzonder geval dat een langere terugwerkende kracht rechtvaardigde.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van het AOW-pensioen met één jaar terugwerkende kracht bevestigd.