Appellante was werkzaam als kasmedewerkster en viel op 19 november 2013 uit wegens ziekte. Zij ontving een Ziektewetuitkering die op 20 juni 2014 werd beëindigd omdat zij volgens een verzekeringsarts geschikt werd geacht haar werk te verrichten. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen deze beëindiging ongegrond, stellende dat het onderzoek zorgvuldig was.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij door pijn- en vermoeidheidsklachten als gevolg van endometriose niet in staat was te werken. Zij overlegde medische stukken van haar gynaecoloog die ernstige gevolgen van een eerdere operatie beschreven. Het UWV handhaafde het standpunt dat het medisch beeld niet wezenlijk was veranderd.
De Raad liet een onafhankelijke deskundige, een urogynaecoloog, rapporteren. Deze concludeerde dat appellante op 21 juni 2014 niet in staat was haar werk te verrichten vanwege pijnklachten en beperkingen door endometriose en de gevolgen van buikchirurgie. De Raad volgde dit deskundigenoordeel, oordeelde dat het eerdere besluit onjuist was en vernietigde het. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten.