ECLI:NL:CRVB:2019:2717
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, die sinds 2003 in Portugal werkte, vroeg in december 2013 een WIA-uitkering aan. Het UWV liet appellant medisch onderzoeken in Portugal, waarna een verzekeringsarts beperkingen vaststelde en een arbeidsdeskundige geschikte functies selecteerde. Het UWV besloot op 4 mei 2016 de uitkering te weigeren omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg.
Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank Amsterdam bevestigde dit en vond het medisch onderzoek zorgvuldig en de arbeidskundige onderbouwing deugdelijk. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het UWV het oordeel van de Portugese artsen had moeten volgen en dat beperkingen aan zijn bewegingsapparaat en fijne motoriek waren onderschat.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef de rechtbank in haar oordeel. Het medisch onderzoek was zorgvuldig en de beperkingen waren niet onderschat. De geselecteerde functies zijn medisch geschikt. Omdat appellant zijn stellingen niet met medische stukken ondersteunde, werd het hoger beroep verworpen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.