Uitspraak
17.5005 WIA
OVERWEGINGEN
WIA-uitkering per 5 januari 2016 geweigerd, omdat hij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, laatstelijk werkzaam als schoonmaker van kantoren voor 29,84 uur per week, meldde zich ziek met klachten aan diverse lichaamsdelen en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering per 5 januari 2016 omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Na bezwaar en een nieuw verzekeringsgeneeskundig onderzoek bleef het oordeel dat appellant geschikt was voor zijn eigen werk.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens schending van de hoorplicht, maar handhaafde de rechtsgevolgen omdat aanvullend onderzoek plaatsvond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat zijn beperkingen werden onderschat, en stelde dat het verbod van reformatio in peius was geschonden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het onderzoek zorgvuldig was, dat appellant geen nieuwe medische informatie heeft aangeleverd ter onderbouwing van zijn stellingen, en dat het verbod van reformatio in peius niet is geschonden. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.