ECLI:NL:CRVB:2019:2688
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening AOW-pensioen wegens beëindiging duurzaam gescheiden leven
Appellant ontving vanaf juli 2011 een AOW-pensioen voor duurzaam gescheiden leven. In december 2012 werd de uitbetaling geschorst vanwege onduidelijkheid over zijn woonadres. Na inschrijving in november 2012 op het adres van zijn echtgenote in een andere gemeente, hervatte de Sociale Verzekeringsbank (Svb) de betaling. In 2015 vroeg de echtgenote een AOW-pensioen aan en gaf aan dat appellant bij haar woonde. De Svb herzag daarop het pensioen van appellant met terugwerkende kracht vanaf december 2012 naar het gehuwdenpensioen en vorderde het te veel betaalde terug.
Appellant betwistte dat hij vanaf december 2012 niet meer duurzaam gescheiden leefde en stelde dat het adres slechts een postadres was, terwijl hij feitelijk elders verbleef. De rechtbank oordeelde dat de Svb terecht aannam dat duurzaam gescheiden leven was beëindigd en wees het beroep af. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Raad bevestigde de rechtbankuitspraak.
De Raad motiveerde dat de inschrijving op het adres van de echtgenote, het buurtonderzoek, de gegevens van de werkgever en de aanvraag van de echtgenote voldoende bewijs vormden dat duurzaam gescheiden leven was beëindigd. Appellant bracht onvoldoende concrete en verifieerbare gegevens om dit te weerleggen. Er waren geen dringende redenen om de herziening met terugwerkende kracht te weigeren. De Svb mocht het te veel betaalde bedrag van € 10.399,79 terugvorderen en zag af van een boete. De uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant vanaf december 2012 niet meer duurzaam gescheiden leefde en wijst het beroep af.