ECLI:NL:CRVB:2019:2670
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om hem per 20 december 2016 geen WIA-uitkering toe te kennen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Het primaire besluit en het daaropvolgende bezwaar werden ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant geen nieuwe relevante medische informatie of argumenten aangevoerd. Het rapport van bedrijfsarts De Vos van 12 september 2016 was aanwezig in het dossier en is door de verzekeringsartsen meegenomen. De Raad volgt de rechtbank in het oordeel dat de medische en arbeidskundige beoordeling zorgvuldig en juist is uitgevoerd.
Appellant stelde dat zijn psychische beperkingen zijn onderschat en dat de geselecteerde functies, waaronder soldering technician, niet geschikt zijn. De Raad oordeelt dat in de Functionele Mogelijkhedenlijst voldoende beperkingen zijn opgenomen en dat de geselecteerde functies passend zijn, ook wat betreft concentratiebelasting.
De medische ontwikkelingen na 20 december 2016 blijven buiten beschouwing en oogklachten zijn niet relevant voor de beoordeling. De Raad bevestigt dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.