ECLI:NL:CRVB:2019:2491
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende bewijs hoofdverblijf
Betrokkene vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet en gaf een briefadres op. Na aanvankelijk buiten behandeling stellen en intrekken van dat besluit, vond een huisbezoek plaats om het feitelijk hoofdverblijf te verifiëren. Het college wees de aanvraag af omdat betrokkene niet aannemelijk maakte dat zij hoofdverblijf had in de opgegeven woning.
De rechtbank oordeelde dat het huisbezoek niet zorgvuldig was uitgevoerd, onder meer omdat niet alle vertrekken waren bekeken en de verklaring van betrokkene en de hoofdbewoonster niet waren geverifieerd. De rechtbank stelde vast dat het feitelijk hoofdverblijf niet kon worden ontzegd op basis van het huisbezoek en kende bijstand toe vanaf de aanvraagdatum.
In hoger beroep betwistte het college deze conclusies, maar de Raad volgde de rechtbank. Het huisbezoekverslag kon niet zonder meer als juist worden aangenomen, en de verklaringen van betrokkene waren niet zodanig tegenstrijdig dat het hoofdverblijf niet kon worden vastgesteld. Ook het standpunt over latere aanvragen en intrekkingsgronden faalde. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en veroordeelde het college in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.