ECLI:NL:CRVB:2019:2478
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor aangepast werk
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn Ziektewetuitkering per 21 oktober 2016 te beëindigen omdat hij van mening was dat zijn oogklachten hem ongeschikt maakten voor zijn werk als inpakker/ompakker in WSW-verband. Hij stelde dat zijn slechte gezichtsvermogen en de stof op de werkplek hem belemmerden.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde dat appellant geschikt was voor aangepast werk en verklaarde het beroep ongegrond. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak na hoger beroep. De Raad stelt vast dat appellant geen nieuwe medische gegevens heeft overgelegd die zijn stellingen ondersteunen.
Het medisch onderzoek was zorgvuldig en de verzekeringsarts concludeerde dat de oogoperatie in 2015 cosmetisch was en geen verbetering van het gezichtsvermogen bracht. Uit een arbeidsdeskundig rapport bleek dat de werkomgeving niet te stoffig was, waardoor appellant geschikt werd geacht voor het werk.
De Raad acht het besluit van het UWV om de uitkering te beëindigen dan ook op goede gronden genomen. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering per 21 oktober 2016 wegens geschiktheid voor aangepast werk.