AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens intrekking AIO-aanvulling en kostenveroordeling
Appellant diende een aanvraag in voor een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling). De Sociale verzekeringsbank (Svb) kende hem een AIO-aanvulling toe, maar trok deze later in. Appellant maakte geen bezwaar tegen de intrekking, maar stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat de hoogte van de toegekende AIO-aanvulling onjuist was.
De Svb kwam in hoger beroep aan het bezwaar van appellant tegemoet door de AIO-aanvulling te verhogen en een nabetaling toe te kennen. Het intrekkingsbesluit van de AIO-aanvulling werd niet ongedaan gemaakt, maar dit besluit valt niet binnen de reikwijdte van het hoger beroep omdat het geen besluit tot intrekking, wijziging of vervanging is zoals bedoeld in artikel 6:19 AwbPro.
De Raad oordeelde dat appellant geen belang meer had bij de beoordeling van het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. Daarnaast veroordeelde de Raad de Svb tot vergoeding van de proceskosten van appellant voor zowel het beroep als het hoger beroep, inclusief het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de Svb wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitspraak
17 6658 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 23 juli 2019
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
24 augustus 2017, 17/1720 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E. Tamas, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
De Svb heeft op 18 april 2019 een nieuwe beslissing op bezwaar (nader besluit) genomen.
Appellant heeft daarop bij brief van 22 april 2019 gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 april 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Tamas. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door
drs. W. van den Berg.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding nog van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant heeft op 7 juni 2016 een aanvraag ingediend voor een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling).
1.2.
Bij besluit van 30 juni 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 21 februari 2017 (bestreden besluit), heeft de Svb aan appellant met ingang van 1 juli 2016 een AIO-aanvulling toegekend van bruto € 97,86 per maand naar de norm voor een gehuwde met een partner die zelf geen recht heeft op een AIO-aanvulling.
1.3.
Bij besluit van 9 augustus 2017 heeft de Svb de AIO-aanvulling met ingang van 1 april 2017 ingetrokken. Appellant heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij het niet eens is met de hoogte van de toegekende AIO-aanvulling.
3.2.
Bij het nader besluit heeft de Svb bepaald dat appellant onder toepassing van gewijzigd beleid over de periode van 1 juli 2016 tot en met 31 maart 2017 recht heeft op een hogere AIO-aanvulling van € 428,97 per maand. Appellant heeft daardoor recht op een nabetaling van € 3.141,57.
3.3.
Appellant heeft in zijn reactie gesteld dat met het nader besluit niet volledig aan zijn bezwaren is tegemoetgekomen, omdat de Svb daarbij de intrekking van de AIO-aanvulling met ingang van 1 april 2017 niet ongedaan heeft gemaakt.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het besluit van 9 augustus 2017, waarbij de AIO-aanvulling met ingang van 1 april 2017 is ingetrokken, is geen besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gelet hierop heeft het (hoger) beroep van appellant niet van rechtswege mede betrekking op dit besluit. Het betoog van appellant dat de Svb bij het nadere besluit ten onrechte heeft nagelaten dit intrekkingsbesluit in te trekken, kan daarom niet bij de beoordeling worden betrokken omdat dit besluit buiten de omvang van het geschil valt.
4.2.
De Svb is met het nader besluit geheel aan de bezwaren van appellant tegen de hoogte van de toegekende AIO-aanvulling tegemoetgekomen. Het geding in hoger beroep strekt zich gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb dus niet mede uit tot dit nieuwe besluit.
4.3.
Nu de Svb het bestreden besluit niet langer handhaaft en appellant geen belang meer heeft bij een beoordeling daarvan, zal de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.
5. Aangezien de Svb met het nader besluit volledig aan het bezwaar van appellant is tegemoetgekomen, ziet de Raad aanleiding om de Svb te veroordelen in de kosten voor verleende rechtsbijstand die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden begroot op
€ 1.024,- in beroep en € 1.024,- in hoger beroep, dus in totaal op € 2.048,-. Voor vergoeding in aanmerking komende kosten in bezwaar is niet gebleken.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.048,-;
bepaalt dat de Svb aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van S.H.H. Slaats als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2019.