ECLI:NL:CRVB:2019:239
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende beperkingen volgens FML
Appellant, laatstelijk werkzaam als bedrijfsleider in Duitsland, vordert een WIA-uitkering in Nederland na uitval wegens heup- en rugklachten. Het UWV stelde dat appellant per 29 maart 2012 geen recht had op een WIA-uitkering, wat werd bevestigd in eerdere uitspraken, ondanks dat appellant in Duitsland een invaliditeitsrente ontvangt.
De rechtbank oordeelde dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom bepaalde beperkingen niet in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) waren opgenomen, maar stelde vast dat dit gebrek was hersteld met een rapport van een verzekeringsarts. Appellant betoogde in hoger beroep dat hij volledig arbeidsongeschikt is en dat de Duitse beoordeling ook in Nederland moet gelden.
De Raad liet zich adviseren door een onafhankelijke deskundige die concludeerde dat de FML de belastbaarheid van appellant juist weergeeft en dat de Duitse beperkingen niet één op één kunnen worden vertaald. De deskundige vond geen aanleiding voor extra beperkingen en achtte een lichamelijk onderzoek niet zinvol vanwege het tijdsverloop.
De Raad onderschreef het oordeel dat appellant medisch geschikt is voor de functies waarop de schatting is gebaseerd en bevestigde de eerdere uitspraak dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering. Proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op een WIA-uitkering wordt ontzegd.