Uitspraak
17.7122 AKW
11 september 2017, 17/1095 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
[datum in 7] 2005), [I] (geboren op [datum in 8] 2009) en [J] (geboren op [datum in 9] 2012) kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ontvangen.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, woonachtig in Marokko en ontvanger van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, ontving kinderbijslag voor meerdere kinderen op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). De Sociale Verzekeringsbank (Svb) beëindigde de kinderbijslag met ingang van het vierde kwartaal 2016 omdat het jongste kind waarvoor appellant op 31 december 1999 recht had op kinderbijslag, inmiddels de leeftijd van 18 jaar had bereikt.
Appellant stelde in hoger beroep dat hij nog steeds verzekerd was voor de AKW en daarom recht had op kinderbijslag. De Raad overwoog dat appellant tot 1 januari 2000 verzekerd was op grond van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746) en daarna tot 1 januari 2006 doorlopend verzekerd was. Na 1 januari 2006 was zijn rechtspositie geregeld in artikel 7c AKW, dat het recht op kinderbijslag behoudt zolang het jongste kind waarvoor op 31 december 1999 recht bestond, nog geen 18 jaar is.
Omdat het jongste kind in 2016 18 jaar werd, verviel het recht op kinderbijslag en was de beëindiging door de Svb terecht. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank Amsterdam en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De kinderbijslag is terecht beëindigd vanaf het vierde kwartaal 2016 omdat het jongste kind 18 jaar werd.