Appellant ontving bijstand en een WW-uitkering over een periode van oktober 2014 tot oktober 2016. Het college herzag de bijstand en vorderde terug over de gehele periode, omdat de WW-uitkering niet volledig in mindering was gebracht. Appellant stelde dat het college slechts tot zes maanden na het signaal van de WW-uitkering mocht terugvorderen volgens de zesmaandenjurisprudentie.
De Raad oordeelde dat het signaal van appellant op 18 november 2014 een concreet signaal vormde waaruit het college had moeten afleiden dat te veel bijstand was verstrekt. Het college reageerde niet adequaat op dit signaal. Daarom kon het college slechts terugvorderen tot 18 mei 2015, zes maanden na het signaal.
De terugvordering over de periode daarna werd onterecht opgelegd en het bestreden besluit werd vernietigd voor zover het de terugvordering betreft. Het college wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten van appellant.