ECLI:NL:CRVB:2019:2232
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening bijstand wegens niet gemelde beëindiging studiefinanciering inwonende zoon
Appellante ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet en staat ingeschreven op een adres waar ook haar meerderjarige zoon woonde. De zoon stopte met zijn studie per 1 juli 2015, waardoor hij geen studiefinanciering meer ontving en er sprake was van een tweepersoonshuishouding. Het college paste daarom de kostendelersnorm toe en herzag de bijstand over de periode 1 juli 2015 tot en met 29 februari 2016, met terugvordering van € 2.658,37.
Appellante had de beëindiging van de studiefinanciering niet gemeld, ondanks haar inlichtingenplicht. Zij voerde aan dit niet te weten en niet te hoeven begrijpen dat dit van belang was voor haar uitkering. De rechtbank oordeelde dat appellante redelijkerwijs had moeten begrijpen dat de wijziging invloed had op haar recht op bijstand en dat zij zich had moeten vergewissen van de situatie van haar zoon.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak onderstreept het belang van de vergewisplicht van uitkeringsgerechtigden ten aanzien van wijzigingen in de huishoudsituatie die van invloed kunnen zijn op de hoogte van de bijstand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening en terugvordering van bijstand worden bevestigd.