ECLI:NL:CRVB:2019:2210
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.B. Kleiss
- Rechtspraak.nl
Geen recht op IVA-uitkering bij niet-duurzame volledige arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als applicatiespecialist, meldde zich in maart 2013 ziek met vermoeidheidsklachten. Het UWV kende hem per 1 maart 2016 een loongerelateerde WGA-uitkering toe wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Appellant stelde bezwaar en beroep in met het argument dat zijn arbeidsongeschiktheid duurzaam is vanwege de progressieve aard van zijn ziekte (MS) en dat hij daarom recht heeft op een IVA-uitkering.
De rechtbank Den Haag oordeelde dat het UWV voldoende gegevens had om de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid te beoordelen, waarbij het beoordelingskader van het UWV werd gevolgd. De verzekeringsarts concludeerde dat verbetering van de belastbaarheid niet was uitgesloten en dat er een redelijke verwachting was dat de belastbaarheid zou toenemen. De rechtbank vond deze motivering deugdelijk en wees het beroep af.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. Er waren geen nieuwe gezichtspunten die tot een andere beoordeling konden leiden. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. De Raad concludeerde dat de volledige arbeidsongeschiktheid van appellant niet duurzaam is en dat het UWV terecht geen IVA-uitkering heeft toegekend.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op een IVA-uitkering omdat zijn volledige arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is.