ECLI:NL:CRVB:2019:2169
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens onduidelijke woon- en verblijfsituatie
Appellant ontving vanaf 8 juli 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand. Vanaf 10 maart 2014 stond appellant in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens geregistreerd als 'vertrokken naar onbekend'. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam trok daarom bij besluit van 17 juni 2014 de bijstand met ingang van die datum in en vorderde de kosten van bijstand over de periode 10 tot en met 31 maart 2014 terug.
Appellant voerde in bezwaar aan dat hij tijdens de hoorzitting verklaarde bij zijn zuster te hebben verbleven, een verklaring die door het college niet werd betwist. Desondanks kon appellant geen objectieve en verifieerbare gegevens over zijn woon- en verblijfplaats overleggen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad benadrukt dat de belanghebbende verplicht is juiste en volledige informatie te verstrekken over zijn woon- en verblijfsituatie, essentieel voor het vaststellen van het recht op bijstand. Het niet voldoen aan deze inlichtingenplicht rechtvaardigt intrekking van de bijstand indien het recht niet kan worden vastgesteld. Omdat appellant geen verifieerbare informatie heeft verstrekt, blijft het recht op bijstand onduidelijk en is de intrekking terecht.
De terugvordering wordt niet inhoudelijk beoordeeld omdat appellant hiertegen geen zelfstandige beroepsgronden heeft aangevoerd. De Raad ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en bevestigt de aangevallen uitspraak.
Uitkomst: De intrekking van bijstand en terugvordering worden bevestigd wegens het ontbreken van verifieerbare woon- en verblijfgegevens.