ECLI:NL:CRVB:2019:2116
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking en terugvordering bijstand op grond van financiële situatie partner
Appellanten, gehuwden met drie kinderen, vroegen bijstand aan naar de norm voor gehuwden vanaf 13 oktober 2016. Het college trok de bijstand van appellante in en vorderde de kosten terug omdat zij samenwoonde met appellant en geen recht had op bijstand als alleenstaande. Tevens werd de aanvraag afgewezen vanwege het niet overleggen van objectieve en verifieerbare gegevens over de financiële situatie van appellant in de periode voorafgaand aan de aanvraag.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat het terugvorderen van bijstand niet redelijk was en dat zij niet verwijtbaar had gehandeld. De Raad oordeelde dat het college een beleidsregel hanteert waarbij terugvordering plaatsvindt tenzij dringende redenen bestaan, en dat dit beleid binnen redelijke beleidsruimte valt.
Verder was de Raad van oordeel dat de bewijslast voor bijstandbehoevendheid bij de aanvrager ligt en dat het college gerechtigd is om gegevens over de financiële situatie voorafgaand aan de aanvraag op te vragen. Appellanten slaagden er niet in aannemelijk te maken hoe appellant in zijn levensonderhoud voorzag tijdens zijn verblijf in het buitenland. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het verzoek tot schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd en het verzoek tot schadevergoeding wordt afgewezen.