Appellante was werkzaam als caissière en viel uit wegens fysieke klachten. Het UWV weigerde aanvankelijk een WIA-uitkering toe te kennen vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Na een herbeoordeling op verzoek van de ex-werkgever werd de WGA-uitkering ingetrokken omdat de arbeidsongeschiktheid volgens het medisch onderzoek was gedaald tot 20,49%.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze intrekking ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellante niet waren onderschat. Appellante stelde in hoger beroep dat haar beperkingen, waaronder schildklierproblemen, Carpaal Tunnel Syndroom en schouderklachten, onvoldoende waren meegenomen.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank in haar oordeel dat het medisch onderzoek adequaat was, dat de beperkingen juist waren vastgesteld en dat er geen aanleiding was voor een onafhankelijke deskundige. Het hoger beroep werd verworpen en de intrekking van de WGA-uitkering bevestigd. Vergoeding van wettelijke rente en proceskosten werd afgewezen.