ECLI:NL:CRVB:2019:2010
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens ontbreken hoofdverblijf op opgegeven adres
Appellant diende op 7 juli 2016 een aanvraag om bijstand in en gaf daarbij een adres op waar hij een kamer huurde. Het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling Avres wees de aanvraag af omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf op dat adres had. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd meegewogen dat appellant weinig persoonlijke spullen op het adres had en dat hij overdag meestal bij zijn moeder verbleef.
In hoger beroep stelde appellant dat hij alle nachten op het opgegeven adres verbleef en dat dit, gezien zijn moeilijke leefomstandigheden, voldoende was voor het recht op bijstand. Het dagelijks bestuur stelde echter dat appellant niet alle nachten op het adres verbleef, mede omdat het café waar de kamer zich bevond twee dagen per week gesloten was en de kamer als kantoorruimte werd gebruikt.
De Raad concludeerde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij alle nachten op het adres sliep. Het huisbezoek toonde een kleine, niet gestoffeerde kamer met kantoorinrichting en weinig persoonlijke bezittingen. Appellant verbleef overdag meestal bij zijn moeder, waar geen slaapgelegenheid was. Gezien de beperkte toegang, de ongeschikte situatie van de kamer en het ontbreken van bewijs voor nachtelijk verblijf, werd het hoofdverblijf op het opgegeven adres niet vastgesteld.
Het hoger beroep van appellant werd afgewezen en het incidenteel hoger beroep van het dagelijks bestuur werd toegewezen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd met verbetering van de gronden.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres.