ECLI:NL:CRVB:2019:1875
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering wegens voldoende verdiencapaciteit bevestigd in hoger beroep
Appellant, laatst werkzaam als inpakker, meldde zich ziek met psychische klachten en ontving Ziektewetuitkering. Na een eerstejaars beoordeling stelde het UWV vast dat appellant nog 99,46% van zijn maatmaninkomen kon verdienen met geschikte functies, waarna de uitkering werd beëindigd.
Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat zijn beperkingen werden onderschat en dat deskundigen benoemd moesten worden, verwijzend naar het arrest Korošec. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en zag geen aanleiding tot het inschakelen van een deskundige.
In hoger beroep bevestigde de Raad dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om zijn standpunt te onderbouwen en dat de medische en arbeidskundige rapporten een juiste inschatting van zijn belastbaarheid gaven. De Raad oordeelde dat het beroep op het arrest Korošec niet slaagt en dat het UWV voldoende heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies geschikt zijn.
Het hoger beroep wordt afgewezen en het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens geweigerd. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de ZW-uitkering en wijst het hoger beroep af.