Appellant diende een aanvraag in voor bijstand met een gewenste ingangsdatum van 16 juli 2016. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht wees deze aanvraag af omdat appellant niet voldeed aan zijn inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond vanwege onvoldoende onderbouwing van de bijstandbehoevendheid.
In de periode van januari 2016 tot juli 2017 stonden negen auto's op naam van appellant. Van zeven auto's werden geen verifieerbare gegevens over aankoop en verkoop verstrekt. Ook kon appellant niet aantonen dat de opbrengst van de verkoop van een specifieke auto ten goede kwam aan zijn vader in Suriname. Tevens ontbraken gegevens over geldstromen van zijn ouders via cash en een bankrekening op naam van zijn moeder.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende informatie verstrekte om vast te stellen dat hij bijstandbehoevend was. De gronden in hoger beroep waren een herhaling van eerdere argumenten, waarop de rechtbank reeds gemotiveerd had beslist. Het college had terecht ook gegevens over een langere periode dan de laatste drie maanden opgevraagd om de financiële situatie te beoordelen.
Het hoger beroep werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd in het openbaar uitgesproken door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.